In de afgelopen jaren is veel kritiek geweest op de belastingheffing op sparen en beleggen (de zogenaamde “box 3-heffing”). Deze belastingheffing gaat uit van een rendement van 4% op het vermogen, dat wordt belast tegen een tarief van 30%. Het rendement op de spaartegoeden is zoals bekend tot ver beneden de 4% gekelderd. Deze scheefgroei tussen verondersteld en werkelijk rendement kan er zelfs toe leiden dat de belastingheffing hoger is dan het daadwerkelijk behaalde rendement. Met andere woorden: sparen kost geld!

Om deze reden is de discussie over de rechtvaardigheid van deze heffing flink opgelaaid in fiscaal Nederland. Het is dan ook geen verrassing dat er plannen zijn gemaakt om de wet aan te passen. Tot die tijd zitten we nog met de oude onrechtvaardige heffing. Hieronder een overzicht van recente ontwikkelingen.

De Hoge Raad heeft in april van 2015 twee uitspraken gedaan over verhuurde woningen, die ook worden getroffen door de box 3-heffing. Het bijzondere aan verhuurde woningen is dat de waarde voor de belastingheffing wordt bepaald door een aaneenschakeling van allerlei aannames en ficties. Die aannames en ficties komen vaak niet overeen met de werkelijke waarde van de panden, welke aanzienlijk lager kan liggen. Indien u woningen verhuurt en u kunt (bijvoorbeeld met een taxatierapport) aantonen dat de werkelijke waarde meer dan 10% lager ligt dan de fictieve waarde, dan mag u de werkelijke (lagere) waarde aangeven. Het voordeel kan aardig oplopen; in één uitspraak was de werkelijke waarde van een pand ongeveer € 100.000 lager dan de geschatte waarde. Dat leverde een voordeel van ongeveer € 1.200 op!

Niet iedereen bezit verhuurde panden, dus de vraag is wat deze uitspraken voor overige bezittingen, zoals spaartegoeden en effecten betekenen. Naar aanleiding van de uitspraken wordt de mogelijkheid geopperd dat u, indien een rendement van 4% structureel niet haalbaar is gebleken zodat sprake is van een buitensporige last, eveneens uit mag gaan van het werkelijke rendement. Het is de vraag over welke periode moet worden bekeken of een rendement van 4% haalbaar is geweest. Daarnaast is niet duidelijk wanneer sprake is van een ‘buitensporige last’. Indien de belastingheffing hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, lijkt hieraan in ieder geval te worden voldaan. De deur voor het bezwaar tegen de box 3-heffing staat derhalve op een kiertje. Voor verhuurde woningen is de procedure duidelijk, voor overige bezittingen zal dit de komende periode duidelijk worden.

De Bond voor Belastingbetalers heeft een proefprocedure aangespannen, waaruit de antwoorden op de openstaande vragen zullen blijken. De kans op succes in deze procedure lijkt overigens gering. Zelfs al voldoet u aan alle voorwaarden, dan nog is winst niet zeker. De wetgever heeft nu eenmaal een ruime beoordelingsmarge.

Om te voorkomen dat heel Nederland bezwaar gaat maken tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2013 of 2014 heeft het ministerie van Financiën besloten dat alle aanslagen, die worden opgelegd na 26 juni 2015, zullen worden aangepast als de Belastingdienst de procedure verliest. De Belastingdienst heeft kennelijk veel vertrouwen in een goede afloop!