Zijn uw liquiditeiten voldoende bedrijfsgebonden?

Artikel
Inkomstenbelasting (ib)

Zijn uw liquiditeiten voldoende bedrijfsgebonden?

Artikel

Laatste update: 07 november 2018
Gepubliceerd: 07 november 2018

Welk deel van de liquide middelen in uw IB-onderneming (eenmanszaak, vof) behoort toe aan de zaak en welk deel is privé? Dat is van belang voor de vraag of er meer liquiditeiten op de bankrekening staan dan voor uw onderneming noodzakelijk is. Want dat deel – ‘duurzaam overtollige liquide middelen’ – moet u in box 3 aan geven.

Als IB-ondernemer moet u op grond van de regels voor de zogeheten vermogensetikettering bepalen welke activa en passiva er op de balans van uw onderneming thuishoren. Die regels zijn ook van toepassing op het saldo van de liquide middelen dat op uw zakelijke bankrekening staat. Voor zover er meer liquiditeiten op de bankrekening staan dan voor uw onderneming noodzakelijk is (de duurzaam overtollige liquide middelen), wordt dat deel in box 3 opgenomen. Daarover is dan vermogensrendementsheffing verschuldigd.

Tip: Vanuit fiscaal oogpunt is het aantrekkelijk om zoveel mogelijk vermogen als zakelijk te etiketteren als er geen of een laag rendement op wordt behaald.

Hoeveel vermogen is er binnen de onderneming nodig?

Uiteindelijk is het aan u als ondernemer om binnen de grenzen der redelijkheid te bepalen welk deel van de liquide middelen zakelijk zijn. Bij het indienen van de aangifte inkomstenbelasting heeft de ondernemer onderbouwd welk deel van het saldo liquide middelen als zakelijk kan worden aangemerkt. Dat is vooral van belang in de gevallen dat het saldo omvangrijk is en daarbij de vraag opkomt of het allemaal nodig is binnen de onderneming. Te denken valt aan het sparen voor bepaalde bedrijfsdoelen, zoals expansie, investeringen en/of overnames van andere bedrijven. Als dergelijke plannen goed onderbouwd zijn, dan kan gesteld worden dat de liquide middelen voldoende bedrijfsgebonden zijn en dus niet duurzaam overtollig.

Wat heeft de rechter beslist?

Recent heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan over de vraag welk deel van de liquide middelen tot het ondernemingsvermogen behoren. Belanghebbende is daarbij een advocaat die mede-eigenaar van een advocatenpraktijk is. Bij de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2013 was het saldo liquide middelen op de ondernemingsbalans van € 388.988. De inspecteur vond een saldo van € 50.000 aan liquide middelen voldoende en corrigeerde de aangifte voor het verschil. In hoger beroep oordeelde het hof dat de advocaat de grenzen van de redelijkheid niet had overschreden door een ruimere buffer in acht te nemen. De hoogte van het saldo van de liquide middelen stond daarmee niet ter discussie.

Overwegingen belanghebbende

De advocaat had twee overwegingen om een hoog saldo liquide middelen als buffer aan te houden. Omdat de advocatenpraktijk door twee beheerd wordt, bestaat er onzekerheid over het vertrek van de mede-eigenaar. Daarnaast speelt ook de grote mate van afhankelijkheid van de gefinancierde rechtsbijstand, die door bezuinigingen onder druk staat, mee. In latere jaren heeft er zich een omzetdaling voorgedaan.

Tip: In het geval dat een omvangrijk saldo liquide middelen als zakelijk is geëtiketteerd, is een goede onderbouwing van belang.

Heeft u vragen over de duurzaam overtollige liquide middelen van uw onderneming? Of wilt u weten hoeveel liquiditeiten u redelijkerwijs als noodzakelijk kan aangeven bij de belastingdienst? Laat uw contactgegevens achter en wij nemen contact met u op.